Europa heeft de AI-angstblues

8

Brussel wil dat het continent kunstmatige intelligentie adopteert. Snel. Het doel is simpel: de productiviteit verhogen, het concurrentievermogen aanscherpen en Europa weer relevant maken. Om dat te bereiken proberen beleidsmakers een puinhoop van overlappende regels en administratieve rompslomp te ontwarren. Vereenvoudig het regelboek. Het verlichten van de last. Klinkt eenvoudig op papier.

In de praktijk is dat niet het geval.

Nieuwe gegevens van Eurostat bieden een verrassend botte blik op de wegversperring. De vraag was fundamenteel: waarom gebruiken Europese bedrijven deze instrumenten niet? De antwoorden zijn van belang voor de AI Omnibus-debatten. Zij geven ook vorm aan de Digitale Omnibus. Ze spelen zelfs een rol bij de komende begrotingsonderhandelingen voor de periode 2028 tot 2032.

De cijfers schetsen een specifiek beeld. Een die wordt gedefinieerd door aarzeling, niet door vijandigheid.

Expertise is het ontbrekende stukje

Het meest veelzeggend? Bedrijven hebben gewoon niet de vaardigheden. Het is geen geheim. Bijna elf procent van de middelgrote bedrijven – bedrijven met vijftig tot tweehonderdnegenenveertig werknemers – noemt een gebrek aan technische expertise als hun voornaamste barrière. Ook bij grote bedrijven blijft dit aantal stabiel. Ruim tweehonderdvijftig medewerkers, iets lager maar vrijwel identiek met iets meer dan tien procent.

Dan komt de juridische angst. Gegevensprivacy. Onduidelijke gevolgen. Europese bedrijven zijn nerveus. Bijna acht procent van de middelgrote bedrijven maakt zich zorgen over privacyschendingen. Negen procent van de reuzen doet hetzelfde. Juridische onduidelijkheid houdt een ander deel aan de zijlijn.

Toch is bijna iedereen het erover eens dat AI nuttig kan zijn. Slechts een klein deel – anderhalf tot twee procent, afhankelijk van de grootte – zegt dat het voor hen nutteloos is. De paradox? Ze zien de waarde. Ze kunnen gewoon niet onder woorden brengen hoe ze het moeten verkrijgen.

Europese bedrijven begrijpen dat AI nuttig kan zijn… maar kunnen niet duidelijk verwoorden hoe hulp kan plaatsvinden.

Misschien heeft de enquête een essentiële subset gemist. Data-intensieve sectoren? AI-native bedrijven? Die inzichten zouden scherper zijn. Essentieel zelfs voor het opstellen van het volgende wetgevingskader.

De strijd van de middelgrote bedrijven

Kijk naar de kleinere van de grote groepen – die met vijftig tot tweehonderdnegenenveertig werknemers. Geld is niet het voornaamste probleem. Slechts vijf en een half procent geeft de schuld aan de kosten. Portugal is hier de uitschieter. Bijna tien procent van de Portugese bedrijven zegt dat de kosten de belemmering vormen.

Deskundigheid blijft het excuus van de kampioen. Tien en een half procent in heel Europa noemt het als nummer één.

Maar wie geeft dit het hardst toe?

Denemarken. Finland. Duitsland. Deze landen lopen doorgaans voorop als het gaat om algemene adoptie. En toch zijn hun eigen bedrijven bezig met zelfkastijding. Ruim vijftien procent van de Deense bedrijven beweert dat er sprake is van een tekort aan vaardigheden. Veertien procent in Duitsland. Bijna veertien in Finland.

Zelfkritisch? Misschien. Nauwkeurig? Waarschijnlijk.

Technische incompatibiliteit komt op de derde plaats. Zes en een half procent zegt dat hun bestaande software niet goed werkt. De Finnen klagen het meest. Maltezers en Duitsers volgen op de voet.

Dan zijn er de gegevens zelf. Zes procent zegt dat ze gewoon niet over de juiste gegevens beschikken. Of genoeg ervan.

Ethische zorgen? Nauwelijks een blunder. Drie procent.

Het grote ondernemingsdilemma

Ga omhoog op de schaal naar de grootste spelers. Ruim tweehonderdvijftig medewerkers. Het verhaal verandert nauwelijks.

De kosten dalen nog verder. Vijf procent. Expertise blijft koning, met een lichte daling van tien procent. Maar de zorgen over privacy nemen toe. Bijna negen procent van deze bedrijfsgiganten noemt schendingen van de gegevensbescherming als een stop. Acht procent maakt zich zorgen over de juridische consequenties.

Ze zijn rijker. Ze hebben meer middelen. Maar ze zijn ook meer aansprakelijk. Meer blootgesteld. Dus wachten ze. Ze kijken. Ze noemen een gebrek aan duidelijke juridische grenzen.

Slechts een fractie (anderhalf procent) gelooft dat de technologie geen nut voor hen heeft. De overgrote meerderheid weet dat het werkt.

Dus waarom de pauze?

De EU is bezig met het opstellen van het raamwerk. De begrotingsbesprekingen komen eraan. De bedrijven staan ​​stil, wachtend op een signaal dat maar niet lijkt aan te komen. Ze weten dat ze moeten verhuizen. Ze weten gewoon niet hoe. Of misschien, heel misschien, wachten ze tot de rest van het continent als eerste gaat.

Wie wil de eerste zijn?